Een taalkundig venster op het veertiende-eeuwse West-Brabantse Wouw

Van belastingregister tot boerendorp

Wouw in 1579 (Bron: Hans Bol)

Wouw in 1579. (Bron: Hans Bol, Rijksmuseum)

Dit is het verhaal van een oude eikenboom; de laatste boom die nog overeind stond van wat eens een beboste zandrug was, gelegen tussen twee kleine riviertjes in het noordwesten van het hertogdom Brabant. In het begin van de elfde eeuw had een groep boeren het bos op de zandrug gerooid en daar een versterkte hofstede gebouwd.

Ze noemden deze plaats Woude, naar de bomen die ze gekapt hadden. Tweehonderd jaar later was deze hofstede uitgegroeid tot zijn eigen heerlijkheid, ingeklemd tussen Bergen op Zoom in het westen en Breda in het oosten. In dit artikel wil ik u voorstellen aan de mensen die in deze heerlijkheid woonden, de veertiende-eeuwse dorpelingen die opgroeiden onder deze oude eik.

 

Toegang tot het verleden

De meeste verhalende bronnen uit de Middeleeuwen vertellen ons bar weinig over het leven in een boerendorp. Jammer genoeg waren de hooggeboren lieden die besloten wat opgeschreven moest worden zeer zelden geïnteresseerd in de gewone boerenbevolking en vielen middeleeuwse schrijvers vaak terug op clichés en overdrijvingen wanneer het boerenleven werd geschetst. In de middeleeuwse kronieken en geschiedverhalen komt het dorp Woude, het moderne Wouw, dan ook zelden voor; slechts een aantal keren wordt de naam als heerlijke titel genoemd.

Daarom moeten we onze toevlucht zoeken tot andere bronnen wanneer we iets willen leren over de inwoners van het dorp; middeleeuwse renterollen en inkomstenregisters bieden hier uitkomst, want dit bronmateriaal verschaft veel informatie over een regio waar weinig kloosters en nog minder steden waren (zie ook Welings e.a. 2000). In de beduimelde registers van de rentmeester vinden we de namen van tienduizenden cijnsboeren, landeigenaren en dorpsnotabelen. Hier komen we dan ook de gewone dorpelingen zoals de bakker, de maaier en de smid tegen.

Pentekening van Kasteel Wouw, 1747, A. Fokke Simonsz.

Een pentekening van Kasteel Wouw in 1747. (Bron: A. Fokke Simonsz., Wikimedia Commons)

Tussen plaatsnamen en persoonsnamen

Uit deze middeleeuwse administratie leren we behoorlijk wat over dit West-Brabantse dorp. Veel van deze informatie is vrij toegankelijk (zie ook Van Ham 1979): zo vertellen de rekeningen en registers ons over het kasteel dat aan de Wouwse beek lag, over de hofstedes in de omgeving en over de twee windmolens die de dorpsgemeenschap bedienden. Ook lezen we over de oude eikenboom die bij de dorpskerk stond en hoeveel roeden en bunders van het omliggende platteland in cultuur was gebracht.

Andere informatie is moeilijker toegankelijk en komt tot ons in de vorm van naammateriaal. Uit de vele middeleeuwse benamingen die aan velden, weilanden en landschapskenmerken werden gegeven kan een taalkundige een stukje cultuurgeschiedenis destilleren. Zo heeft de Wouwse veldnaam "triest" (het latere Trist-gehucht aan de Kruislandse Weg) een Waalse oorsprong (cf. Kerkhof 2020). Dit lijkt eigenaardig, maar is goed te verklaren wanneer we bedenken dat de dertiende en veertiende-eeuwse West-Brabantse landsheren vaak uit het Belgische gedeelte van Brabant afkomstig waren en daarom een tweetalige kanselarij in dienst hadden. Een ander belangrijke bron bestaat uit de eigennamen en toenamen van de duizenden cijnsboeren en landeigenaren die in deze bronnen geregistreerd zijn. Taalkundigen kunnen dit naammateriaal gebruiken om migratiepatronen en dorpsnetwerken bloot te leggen.

Middeleeuws Wouw (Bron: Peter-Alexander Kerkhof, 2020)

Middeleeuws Wouw. (Bron: Peter-Alexander Kerkhof, 2020)

Wie woonden er in het dorp?

Als voorbeeld mag het Bergen-op-Zoomse cijnsregister uit het jaar 1359 (ARR BoZ, inv. 597) dienen, dat ons een bijzonder inkijkje biedt in het alledaagse leven van het dorp. In dit historische document vinden we een florerende boerengemeenschap, kennelijk onberoerd door de Zwarte Dood die in de jaren daarvoor over het hertogdom trok. Het register is opgedeeld in de verschillende woongemeenschappen waar per inkomstenpost de naam van elke cijnsplichtige persoon en zijn verschillende toenamen is opgeschreven. De toenamen dienden ervoor om de leden van de dorpsgemeenschap te kunnen identificeren bij de pacht- en belastingafdracht. Om u een idee te geven van hoe zo’n aantekening eruit zag, hier de afdracht van een dorpeling woonachtig in de kerkhove (de boerderijen bij de kerk) behorende bij de inkomstenpost van de oude lantciins te Woude.

  • "Jonghe heinric van der beke // 1 d lo // van 1 gemet maden te Rosendale"
  • Jonge Hendrik van de Beek // 1 Leuvense penning // van 1 gemet weilanden te Roosendaal

Dit lijkt niet zoveel, maar in deze aantekening zit meer informatie dan wat de rentmeester wilde noteren. Zo leren we dat de bovengenoemde "Heinric" de jongere van twee personen is die deze naam heeft. Ook vertelt de toenaam "van der beke" ons dat de familie van Heinric oorspronkelijk uit een ander gehucht van de heerlijkheid kwam, denkelijk de boerderijen aan de beek.

Het register vertelt ons ook dat een deel van de bevolking uit Zeeland afkomstig was. Dit blijkt uit onder andere de volgende geografische toenamen waarin Zeeuwse plaatsen worden genoemd:

  • "Willem van Hulst" = Hulst
  • "Jan van Yzendike" = IJzendijke
  • "Pieter van Berzele" = Borsele
  • "Jan van Yerzeke" = Yrseke

Ook het feit dat er meerdere dorpelingen als "die Sewe" (= de Zeeuw) bekend stonden, suggereert dat er een belangrijke migratieroute van Zeeland naar West-Brabant liep. We kunnen ons dan voorstellen dat landloze Zeeuwse migranten naar West-Brabant trokken om daar werk te zoeken aan de Wouwse hofstedes. Opvallend is overigens dat in het register nauwelijks plaatsnamen uit het graafschap Vlaanderen voorkomen. Dit nuanceert het oude beeld dat een groot gedeelte van de dorpsbevolking uit Vlaanderen afkomstig zou zijn (zie bv. Stroop 1983; Leenders 2018).

register Wouw, ARR BoZ  1359, f. 61v

Register Wouw, ARR BoZ 1359, f. 61v.

Namen en anekdotes

Een ander inkijkje in de Wouwse dorpsgemeenschap komt in de vorm van bijnamen zoals "de lange", "de blide" (= de opgewekte) en "doude" (= de oude). We vinden ook bijnamen die waarschijnlijk verbonden waren met anekdotes die nooit opgeschreven zijn maar bij iedereen in de dorpsgemeenschap bekend waren. Nu kunnen we alleen maar gissen naar de reden waarom iemand ooit "de loddere" (= de perverseling), "druut" (= minnaar), "bulgier" (= ketter) of "bille" (= bil) werd genoemd. Voor andere bijnamen is het gemakkelijker te begrijpen waarom ze gegeven waren, bijvoorbeeld "struus" (= groot van stuk), "stercman" (=sterk), "metten swere" (= met de zweer) en "sceluwaerd" (= scheeloog). Alhoewel deze namen voor administratieve redenen opgeschreven waren, verschaffen ze ons een menselijk beeld van hoe deze middeleeuwers eruit zagen en op welke manier ze in de gemeenschap bekend stonden. Zo komen we er achter dat iemand die in het register "de rike" (= de rijke) werd genoemd eigenlijk tot de minst belastbare personen van het dorp behoorde. Het is daarom denkbaar dat de bijnaam bij wijze van grap ontstaan is.

 

Man – Vrouw relaties

Het register werpt ook licht op een onderwerp dat anders zelden in middeleeuwse bronnen besproken wordt; de economische positie van de middeleeuwse boerenvrouw. Uit het register wordt duidelijk dat voor de heer van Bergen op Zoom ook de vrouwen in de gemeenschap belastbare rechtspersonen waren. Hier is een aantekening uit de inkomstenpost van de hoinere te Woude (de hooivoederbelasting):

  • "Heilwi pluegers wiif 4 d lo" (= 4 Leuvense penningen)

Deze "Heilwi" is bij lange na niet de enige vrouw die in deze hoedanigheid werd genoemd. Van de 316 cijnsplichtige partijen die bij deze inkomstenpost horen, betreft het in 27 gevallen vrouwelijke leden van de gemeenschap. Als we deze verhouding extrapoleren naar het gehele register dan betekent dit dat ongeveer tien procent van de cijnzen afkomstig was van getrouwde vrouwen die kennelijk onafhankelijk van hun man belastbaar bouwland bezaten.

Ook interessant is dat veel mannen in het register geïdentificeerd werden met een toenaam waarin niet de vader maar de moeder het uitgangspunt was. In plaats van een toenaam zoals "Jacopssone" vinden we dan een toenaam zoals "Liisbetten sone" of "Lizen zone";

  • "Jan liisbetten zone" (= Jan de zoon van Liisbet) "3 d lo" (Leuvense penningen)
  • "Liediin lizen zone" (= Liediin de zoon van Lize) "5 ½ d lo" (Leuvense penningen)

In het geval van de hoinere gaat het om 36 van de 316 cijnsplichtige personen wat ongeveer elf procent van de belastbare partijen van deze inkomstenpost is.

Ten slotte bevat het register ook nog enkele intrigerende gevallen waarin mannen van een toenaam worden voorzien die naar hun echtgenote verwijst:

  • "Jacop mayen man" = Jacop, de echtgenoot van Maye
  • "Jan margrieten man" = Jan, de echtgenoot van Margriete

Het gaat hier echter slechts om twee personen in het gehele register dat tussen de duizend en tweeduizend namen beslaat. Het lijkt dus om een uitzondering te gaan. Wat deze gegevens wel laten zien is dat vrouwen in de Wouwse boerengemeenschap een belangrijke rol speelden en onafhankelijk van hun echtgenoot land konden bezitten.

 

Continuïteit en verandering

Niet alleen het register van 1359 verschaft ons een venster op deze middeleeuwse dorpsgemeenschap. We beschikken ook over een Bergen-op-Zooms inkomstenregister van omstreeks 1424 dat tot op heden aan de aandacht van de historici lijkt te zijn ontsnapt (ARR BoZ, inv. 1338). In dit document dat ongeveer drie generaties later opgeschreven is, komen we veel van dezelfde families tegen die nog steeds in dezelfde gehuchten woonden. Ze droegen veelal dezelfde hoeveelheid pacht en belasting af en leefden vermoedelijk vergelijkbare levens met die van hun grootouders in 1359.

Toch waren er ook een aantal dingen veranderd. Zo lijkt het dat er in 1424 minder personen in de heerlijkheid van Woude woonden. Dit kan verklaard worden door aan te nemen dat een epidemie of een periode van slechte oogsten tot een krimp van de bevolking had geleid. Bovendien lijkt het erop dat er een behoorlijk aantal nieuwe mensen de heerlijkheid binnengekomen was. Toenamen zoals "Van Antwerpen", "Van Tuernout" en "Van Ghinneken" wijzen erop dat deze nieuwkomers veelal uit andere delen van het hertogdom Brabant kwamen. Het lijkt er dus op dat een gedeelte van de demografische krimp opgevangen is door migratie.

Wouw 1671 pentekening B Klotz

Wouw in 1671. (Bron: B. Klotz, Universiteitsbibliotheek Leiden)

Epiloog

In de eeuw die volgde, ging het dorpsleven door zoals in de generaties daarvoor. In 1480 besloot de dorpsgemeenschap de parochiekerk te vervangen door een majestueus nieuw kerkgebouw in de Kempense stijl. Het kasteel aan de beek werd in de vijftiende eeuw gemoderniseerd en gereedgemaakt voor moderne oorlogvoering met buskruit en kanonnen (zie Bakx e.a. 2012). Maar aan het eind van de zestiende eeuw sloeg het noodlot toe. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog brandde het dorp af en sloeg de bevolking op de vlucht. Een aantal jaren later keerden enkele van de oude bewoners terug en herbouwden hun huizen, maar de trotse eikenboom, voorheen het middelpunt van de dorpsgemeenschap, was verdwenen en wordt nooit meer in de bronnen genoemd. Nu waren de Middeleeuwen werkelijk voorbij en was de Vroegmoderne Tijd begonnen.

 

Bronnen

ARR BoZ = Archieven van de Raad en Rekenkamer van de Markiezen van Bergen op Zoom

Inv. 597, Legger van vaste inkomsten (landcijns, moercijns, hooitienden, lakenaccijns) in het land van Bergen op Zoom en te Brecht, 1359.

Inv. 1338, Legger van cijnsplichtige personen of van in cijns uitgegeven percelen van Wouw, met de gehuchten onder Roosendaal, Kruisland en Langdijk, 15e eeuw.

Bakx, R., G. Haast e.a., Het kasteel van Wouw, Roosendaal, 2012.

Van Ham, W., "15. Dorp en dorpsleven in middeleeuws Wouw," in: Delahaye, A. e.a., De heren XVII van Nassau Brabant, Zevenbergen, 1979, 315-336.

Van Ham, W., "Wouw in de Middeleeuwen," in: Delahaye, A., Van Ham, W. e.a.,Woide...die Wouda; opstellen over de geschiedenis van Wouw, Wouw, 1980, 41-152.

(nog te verschijnen) Kerkhof, P.A. (2020). “Calwentriest en Den Trieste: vreemde veldnamen tussen Wouw en Roosendaal”. Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie.

Leenders, K., "Rond de oude eik. Wouw en Roosendaal voor 1300.", in: Jaarboek De Ghulden Roos (jrg. 78, 2018), 9-41.

Van Loon, J., "Grondgebruik in Noord-Brabants Zuidwesten in de Middeleeuwen", in: Jaarboek de Ghulden Roos (jrg. 26, 1966), 17-138.

Stroop, J., "Wouw in het Westbrabantse taallandschap". Jaarboek De Ghulden Roos (jrg. 43, 1983), 41-53.

Welings, Y., C. van der Heiden e.a., Hoenen en Kapoenen; gids van cijnsregister betreffende Noord-Brabant 14e-20ste eeuw, ’s-Hertogenbosch, 2000.