Het Liber aureus

Irmina_gotha.jpg

Afbeeldingen van de heilige Irmina en de heilige Willibrord in het Gouden boek van Echternach. (Bron: Anoniem, ca. 1275, Liber aureus Epternacensis)

Het Liber aureus Epternacensis, ofwel het gouden boek van Echternach, werd in 1191 geschreven in de benedictijnenabdij van Echternach in Luxemburg. Het boek diende – met succes − als bewijsvoering in een conflict van de abdij met de bisschop van Trier over haar rechten en bezittingen.

Voor de Brabantse geschiedenis is het boek, dat nu wordt bewaard in de Landsbibliotheek van Gotha in het oosten van Duitsland, van uitzonderlijk belang. Het bevat afschriften van akten uit de achtste eeuw die betrekking hebben op plaatsen en goederen in het huidige Noord-Brabant, maar waarvan het origineel verloren is gegaan.

In indirecte vorm zijn in dit handschrift dus enkele van de oudste geschreven bronnen van de Brabantse geschiedenis te vinden. De akten beschrijven schenkingen van domeinen en andere bezittingen in Texandrië, het latere Noord-Brabant, die tussen 698 en 721 door Frankische aristocraten werden gedaan aan Willibrord (ca. 658-739), bisschop van Utrecht en tevens de stichter van de abdij van Echternach. Willibrord heeft in 726 al zijn bezittingen in Texandrië weer aan deze abdij geschonken en daardoor zijn de teksten van de oorspronkelijke schenkingsakten in het gouden boek terechtgekomen.

De belangrijkste Brabantse bezittingen die aan Willibrord werden overgedragen, lagen in Waalre, Bakel en Diessen. Maar de akten vermelden ook de namen van Ruimel en Gemonde bij Sint-Michielsgestel, Alphen, Eersel, Vlierden en Deurne. Ook voor Tilburg bevat het boek de oudste vermelding in de bronnen. In 709 werd hier het domein Alphen, compleet met hoeven en de daarbij behorende horigen met hun bezit, aan Willibrord overgedragen. De volgende vermelding van Tilburg dateert pas van vijf eeuwen later.

De schenkingen van de aristocraten aan de bisschop zijn de eerste blijken van christendom in deze streken. Maar wat dat vroege christendom nu precies inhield en welke betekenis het had in de levens van de bewoners, is hoogst onduidelijk. Juist de verbondenheid tussen de kerkelijke autoriteiten en de adellijke bovenlaag doet vermoeden dat er niet alleen religieuze maar ook maatschappelijke motieven ten grondslag lagen aan de verbreiding van het christendom. Het nieuwe geloof kan bijvoorbeeld mogelijk een rol hebben gespeeld bij de bestendiging van de machts- en bezitsverhoudingen.

De eerste kerken zullen daarom vrijwel zeker verbonden zijn geweest aan een domein en gediend hebben als grafkapel voor de grondeigenaar en zijn familie. Helaas zijn deze grafkapellen alleen bekend uit bronnen en nog nooit gevonden door archeologen. Parochiekerken, waar het geloof werd uitgedragen en door een gemeenschap gevierd met symbolen en ceremonies zoals ook wij die kennen, dateren in Brabant pas van eeuwen later, vermoedelijk niet eerder dan de twaalfde eeuw.  

 

Bronnen

Bijsterveld, A., “Van Texandrië naar de Kempen, het noorden van het bisdom Luik in de volle middeleeuwen (tiende-twaalfde eeuw)", in: Brabants Heem (nr. 54, 2002), 67-77.

Van Ginkel, E. en Theunissen, L., Onder heide en akkers. De archeologie van Noord-Brabant tot 1200, Utrecht, 2009.

Van Oudheusden, J., Erfgoed van de Brabanders. Verleden met een toekomst, ‘s-Hertogenbosch, 2014.

 

Dit artikel is een bewerking van een tekst uit J. Van Oudheusden, Erfgoed van de Brabanders. Verleden met een toekomst, ‘s-Hertogenbosch, 2014, 34.