Thema

Brabantse Kloosters

Kloosters zijn plekken waar soms de tijd stil lijkt te staan. Maar uiteraard zijn de gebouwen en hun gemeenschappen ook geraakt door de geschiedenis.

De eerste kloosters

Het grondgebied van het huidige Noord-Brabant was in de loop van de elfde eeuw volledig gekerstend. Hierna was ook de kerkelijke bestuurlijke hiërarchie uitgerold. Dit opende de deur voor een volgende fase van christelijke invloed: de komst van kloosterorden. Vanaf circa 1100 werden in de Lage Landen kloosters van een groot aantal verschillende orden gesticht. Pas in 1146 volgde een klooster in het huidige Noord-Brabant, dat van Hooidonk. Zoals de meeste andere kloosters die in deze periode werden gesticht, was het een dubbelklooster met mannelijke en vrouwelijke religieuzen. Hooidonk werd later een exclusief vrouwenklooster.

In deze periode had vooral de regionale aristocratie een rol bij het stichten van nieuwe kloosters. Uiteraard zeiden ze dat te doen uit vroomheid en voor hun eigen zielenheil, maar ook andere motieven speelden mee. Zo leverde het in het wereldlijke leven prestige op om je naam als stichter te verbinden aan een nieuwe kerk of kloostergemeenschap. De wijdingen van de kloosters waren grote gebeurtenissen, waarin de stichter een centrale plek had. Tot slot kon het een manier zijn om familiebezit bijeen te houden. Landerijen die door vererving binnen een aristocratische familie uiteen waren gevallen, konden weer bijeen gebracht worden als de familieleden ze samen aan een (nieuw) klooster schonken. Als de schenker ook de stichter van het klooster was, behield de familie ook nog enige controle over (en inkomsten uit) dit bezit als voogd (beschermer) van het klooster.

Zegel Hooidonk

Zegelstempel van de prior van het klooster Hooidonk. (Bron: Het Noordbrabants Museum)

Dat de regionale aristocratie de kans kreeg om zo aan hun prestige te werken door middel van kloosterstichtingen, kwam door een machtsvacuüm in de Lage Landen dat duurde van ongeveer 1050 tot 1150. Van een centrale Rooms-keizerlijke macht was geen sprake en de belangrijkste wereldlijke heren in de regio, de prinsbisschop van Luik en de graven van Leuven, hadden weinig macht buiten de gebieden die direct onder hun gezag stonden en zich nauwelijks tot het huidige Noord-Brabant uitstrekten. Hier kwam pas een eind aan toen Godfried III van Leuven (ca. 1140-1190) in de tweede helft van de twaalfde eeuw zijn macht uit begon te breiden. Vaak gebruikte hij het argument van ‘oppervoogdij’ over alle abdijen in zijn gebied om zijn autoriteit te doen gelden in een gebied.

Kloosters op de kaart

Nieuwe ordes en kloosterkunst

In de loop van de volgende eeuwen nam de diversiteit aan kloosterorden in het noorden van het hertogdom Brabant toe. Bedelordes verschenen in de grote steden, groepen begijnen ontwikkelden zich tot kloostergemeenschappen en ridderordes verwierven enclaves binnen het hertogdom. In Breda had zich bijvoorbeeld rond 1240 een groep begijnen gevestigd en de Duitse ridderorde had enkele decennia eerder al een deel van de heerlijkheid Gemert in handen gekregen. Daarnaast hadden ook verschillende hervormingsgolven voet aan de grond gekregen in het hertogdom. Zo stichtten de ‘observanten’, die zich streng op de eigen leefregels toelegden, klooster Mariëndonk in Heusden.

Vanaf de tweede helft van de veertiende eeuw waren Brabantse kloosters ook centra van kunst. De kloostergebouwen zelf werden, onder andere onder de invloed van de Brabantse gotiek, uitgebreid vormgegeven en versierd met architecturale elementen en heiligenbeelden. Van de laatste zijn de bekendste Brabantse voorbeelden misschien wel de beelden gemaakt door de anonieme meester van Koudewater. Ook binnen de muren was er sprake van kunstproductie. De geschriften die de kloosterlingen produceerden zijn natuurlijk ook kunstwerken te noemen, of ze nu uitgebreid verlucht zijn of niet. De collectie handschriften van de augustinessen van Soeterbeeck zijn hier een voorbeeld van.

Reformatie en refugie

Tijdens de Tachtigjarige oorlog hadden veel Brabantse kloosters het zwaar te verduren. Plunderingen door de strijdende partijen en het verjagen van de geestelijken door Staatse troepen maakte regelmatig een einde aan de kloostervestigingen, althans in Staats gebied. Toch waren hier uitzonderingen mogelijk. Zo stonden de Norbertinessen van Sint-Catharinadal in Breda onder een zekere mate van bescherming van de Oranjes, vanwege hun speciale band met de stad. Zij bleven tot 1647 in Breda en keerden van 1672 tot 1679 zelfs even in de stad terug.

AchelseKluis

De Achelse Kluis ten zuiden van Valkenswaard ontstond als grenskerk, net op het grondgebied van het prinsbisdom Luik maar dicht bij Staats-Brabant. (Foto: John Scholte, 2012, Wikimedia Commons)

In 1648 gaven de Staten-Generaal aan alle kloostergemeenschappen die de Tachtigjarige Oorlog in Brabant overleefd hadden de opdracht Staats-Brabant te verlaten. Dit was het hoogtepunt van anti-katholieke maatregelen die door de Republiek al langer getroffen werden. Sommige gemeenschappen trokken hierop de grens over naar Spaans-Brabant, andere weken uit naar enkele van de vrije heerlijkheden, zoals de Kapucijnen uit ‘s-Hertogenbosch, die in Velp in het land van Ravenstein hun Emmausklooster bouwden.

Suppressie en bloei

De Franse legers in 1794 brachten juridische godsdienstvrijheid met zich mee toen ze de Republiek tot een Franse vazalstaat maakten. Dit betekende echter niet dat de kloostergemeenschappen weer opbloeiden. In 1812 vaardigde keizer Napoleon (1769-1821) namelijk een “decreet van suppressie” uit. Kloostergemeenschappen, ditmaal ook die in vrije heerlijkheden gevestigd waren geweest (die bestonden immers niet meer), mochten geen novicen meer aannemen en kloosterlingen die uittraden kregen een pensioen, maar de kloosterlingen die in het klooster bleven niet. De latere koning Willem I (1772-1843) bevestigde dit decreet, tot zijn zoon het pas in 1840 weer in zou trekken.

Suppressie St Agatha, Maasbode 21-8-1877, Delpher

In een krantenkroniek in De Maasbode van 21 augustus 1877 wordt nog melding gemaakt van het decreet van suppressie van Napoleon en de continuering van dit besluit door Koning Willem I. (Bron: Delpher Kranten)

Dit betekende ruim baan voor een bloei van kloosters in Noord-Brabant. Oude gemeenschappen konden opnieuw ruime aantallen novicen aannemen, vooral na 1900 nam hun aantal spectaculair toe. Ook schoten nieuwe kloostergemeenschappen in razend tempo uit de grond. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd een groot deel van de kloosterlingen op missie uitgezonden om elders zielenzorg te verlenen en het Katholicisme te verspreiden. Anderen verleenden zorg in verplegingshuizen in Noord-Brabant. Met name na de beslechting van de schoolstrijd in 1917 kregen kloosterlingen tot slot ook een grote rol in het geven van katholiek onderwijs. Op deze manier werd het klooster weer een manier om te klimmen op de maatschappelijke ladder.

Secularisering sinds de Tweede Wereldoorlog heeft een einde gemaakt aan deze bloeiperiode van de Brabantse kloosters en hun gemeenschappen. Een aantal gemeenschappen bestaat nog, maar veel kloostergebouwen zijn inmiddels verdwenen of herbestemd. In dat laatste geval is een deel van het kloostererfgoed nog bewaard gebleven.

 

Auteur: Robin Hoeks

 

Bronnen

Van Uytven, R. (red.), Geschiedenis van Brabant, van het hertogdom tot heden, Zwolle, 2004.

Bijsterveld, A., “Kerk en wereld in de Kempen”, in: Hoogbergen, T. en Ackermans, M. (red.), Kloosters en religieus leven: historie met toekomst, ‘s-Hertogenbosch, 2002, 12-25.

 

Draag bij aan Brabants erfgoed!

Wil je een verhaal delen? Vul hieronder je gegevens in, en geef kort aan wat je zou willen bijdragen. De redactie neemt dan contact met je op.