De Romeinse nederzettingen in Noord-Brabant

IJzertijdboerderij Dongen

Een gereconstrueerde IJzertijdboerderij in Dongen. (Foto: Toine Snoeren, IJzertijdboerderij Dongen)

Van de Gallische oorlogen en verovering door Caesar halverwege de eerste eeuw v. Chr. is in Noord-Brabant archeologisch nog maar weinig terug te vinden. Van een definitieve verovering lijkt nog geen sprake. Nederzettingen blijven bewoond en ook grafvelden blijven in gebruik. Pas vanaf de tweede helft van de eerste eeuw na Chr. zijn er sterke veranderingen zichtbaar in de nederzettingen en neemt de Romeinse invloed toe.

Bewoning en bewoningsontwikkeling

De variatie in vorm en omvang laat zien dat nederzettingen in de Romeinse tijd een grotere verscheidenheid en dynamiek kenden. Het beeld dat het grootste deel van oostelijk Noord-Brabant bestond uit kleine rurale nederzettingen van enkele boerderijen in een achtergesteld gebied, lijkt te moeten worden bijgesteld. Vooral na 70 na Chr. werden nederzettingen meer planmatig aangelegd, met omlijnde kavelindelingen. Bestaande nederzettingen groeiden fors in omvang en er ontstonden nieuwe kleine, maar ook grote nederzettingen. Soms werden deze omsloten door een greppel of palissade.

CaesarkopNijmegenRMO

Deze portretkop, gevonden in Nijmegen, stelt waarschijnlijk Julius Caesar voor. Hij is gedateerd op de eerste eeuw na Christus. (Bron: Rijksmuseum van Oudheden Leiden)

Kavelverdeling

In de meeste inheems-Romeinse nederzettingen van oostelijk Noord-Brabant is niet duidelijk waar een afzonderlijk woonerf uit bestond. Exacte dateringen van de aanwezige gebouwstructuren ontbreken merendeels waardoor niet bepaald kan worden welk bijgebouw of kuil bij welk huis hoorde. Ook begrenzingen van de afzonderlijke erven in de vorm van sloten of een palissade ontbreken meestal.

Er zijn echter wel aanwijzingen dat er erfbegrezingen zijn geweest, zoals in Nederweert-Rosveld, Uden-Noord en Reusel-Zuid waar sporadisch palenrijen zijn gevonden. In Uden-Noord maar ook in Nistelrode-Zwarte Molen is de nederzetting vanaf de tweede helft van de tweede eeuw door middel van greppels of palenrijen structureel ingedeeld in langgerekte kavels met erven, waarbij verbouwingen en herbouw op hetzelfde kavel plaatsvinden. In Nistelrode-Zwarte Molen liggen de spiekers en waterputten zonder uitzondering achter de huizen. Verder valt op dat de perceelindeling en de oriëntatie hiervan in korte tijd soms sterk kon worden veranderd. Misschien hing dit samen met een herverdeling van grond door een nieuwe eigenaar?

Deze verdeling in kavels doet denken aan de aanleg van de nederzetting (vicus) in Cuijk waarbij eenzelfde patroon van langgerekte erven volgens een vaste maatvoering en gelijke oriëntatie te zien is. Het voorste deel werd hier gebruikt als werkruimte/winkel, het middelste deel als woongedeelte en het laatste stuk als achterterrein, waar diverse werkzaamheden werden uitgevoerd. De indeling hangt vermoedelijk samen met de invoering van het individueel grondbezit waarbij het gebruik van gronden aan banden werd gelegd. Dit blijkt ook uit de bouw van twee huizen boven op oude waterputten in Nistelrode-Zwarte Molen. Ondanks de ongunstige plek (vanwege verzakkingen) was het blijkbaar niet mogelijk het huis wat op te schuiven.

 

Gezamenlijke nederzettingen

Bij sommige nederzettingen, zoals Oerle-Zuid, Helmond-Mierlo Hout en Lieshout-Nieuwenhof, kan de vraag gesteld worden of wel sprake is van afzonderlijke erven in de zin van een individueel boerenbedrijf. Woonstalhuizen en bijgebouwen zijn hier gegroepeerd rond een open plaats, waarbij gezamenlijk gebruik werd gemaakt van één of meer waterput(ten). In deze nederzettingen lijkt eerder sprake van één grootschalig (boeren)bedrijf dat bestond uit diverse gebouwen met bedrijfs- en woonfuncties. De dicht op elkaar gelegen huizen doen verder vermoeden dat sprake moet zijn geweest van een vaste inrichting en gezamenlijk gebruik.

Gezamenlijkheid in gebruik van de nederzetting is ook af te lezen aan de waterputten in de Romeinse tijd. Het aantal waterputten is meestal gering ten opzichte van de gebruiksduur van de nederzetting en het aantal huizen binnen de nederzetting. De symmetrische plaatsing van losse gebouwen met verschillende functies om een open plaats vertoont verder sterke gelijkenis met een Romeinse villa rustica. Zo’n villa bestond uit een grote boerderij die het centrum vormde van een uitgestrekt landbouwgebied. Naast het hoofdgebouw waren er meerdere bedrijfsgebouwen aanwezig. In deze optiek is het ook maar de vraag of alle opgegraven huisplattegronden wel gefunctioneerd hebben als woon(stal)huis. Een deel kan gediend hebben als onderkomen van slaven.

 

Sociale gelaagdheid

De sociale gelaagdheid van de Romeinse samenleving met landeigenaren, vrije en afhankelijke boeren, landarbeiders en ook slaven, is uit de nederzettingen niet af te lezen. Ongetwijfeld zal er echter tussen en binnen de nederzettingen sprake zijn geweest van verschillende klassen, maar het koppelen van een nederzetting aan een vrije boer of een pachtboerderij met afhankelijke landarbeiders en slaven, is op basis van de archeologische resten niet mogelijk. Hooguit kunnen we vaststellen dat er binnen een nederzetting soms huisplattegronden liggen met opvallend rijkere vondsten die misschien het huis van de landeigenaar vertegenwoordigde.

Bij een planmatig aangelegde nederzetting, zoals Hoogeloon maar ook Lieshout-Nieuwenhof, zou het kunnen gaan om een investering van een rijk grootgrondbezitter waar alleen afhankelijke arbeiders werkten. Hoewel vondsten van voetboeien zoals in Someren-Ter Hofstadlaan, Budel-Noord en Hoogeloon, bewijs leveren voor het houden van slaven, wordt nog niet duidelijk of dit gold voor elke nederzetting. Bij Cuijk is het cultuurverschil tussen de bewoners in de vicus en de landelijke nederzetting Cuijk-Heeswijkse Kampen duidelijk zichtbaar in de bijgiften van de graven. Op slechts enkele kilometers afstand van elkaar lijken twee verschillende werelden te bestaan waarbij de inwoners van Ceuclum volop deelnamen aan de Romeinse cultuur en het economisch zichtbaar goed hadden, terwijl de inwoners van Cuijk-Heeswijkse Kampen nog zichtbaar honderd jaar achterliepen in welvaart.

Maquette van villa Hoogeloon

Een maquette van de villa in Hoogeloon. (Bron: 1985, Noordbrabants Museum)

Alle rechten voorbehouden

Slot

Dat we nog lang geen compleet beeld hebben van de Romeinse samenleving in Brabant moge duidelijk zijn. Maar het vele archeologische onderzoek van de afgelopen vijftien jaar werpt wel zijn vruchten af. Door de grotere spreiding van onderzoek over Brabant, wordt langzaam duidelijk dat elke uithoek in Brabant door de Romeinen bewoond, gebruikt of bezocht is.

 

Bronnen

Ball, E. en Jansen, R. (red.), Drieduizend jaar bewoningsgeschiedenis van oostelijk Noord-Brabant: synthetiserend onderzoek naar locatiekeuze en bewoningsdynamiek tussen 1500 v.Chr. en 1500 n.Chr. op basis van archeologisch onderzoek in het Malta-tijdperk, deel 1, Amersfoort, 2018 (Nederlandse Archeologische Rapporten 61).