Geboortedatum onbekend | Sterfdatum:

Albertine de Dongelberghe

Handtekening Albertine de Dongelberghe

Handtekening van Albertine de Dongelberghe. Hier noemt ze zich "Albertinne Jeanne de Dongelberg, marquuse de Rèsves". (Bron: inventaris heerlijkheid Loon op Zand)

Albertine de Dongelberghe werd geboren omstreeks 1675 en blies haar laatste levensadem uit in 1747. Deze bijzondere vrouw vormde de spil in de strijd om de nalatenschap van de heerlijkheid Loon op Zand. Bij deze erfeniskwestie waren ook de graven van Immerseel en de vorsten van Salm-Salm betrokken.

Jonge jaren

Albertine de Dongelberghe werd geboren omstreeks 1675. De precieze geboortedatum of geboorteplaats van Albertine de Dongelberghe is niet bekend. De familie De Dongelberghe stamde af van ridder Jan van Meeuwen (ca. 1280-ca. 1342), bastaardzoon van hertog Jan I van Brabant (1253-1294). Hij werd in 1303 vermeld als heer van Dongelberg en heer van Waver (Wavre). In de zestiende en zeventiende eeuw bekleedden diverse familieleden hoge functies in het Brabantse land. François Henri de Dongelberghe (ca. 1650-1736) was onder meer markies van Rèves. Hij werd met Marie Claire t’Serclaes de Tilly vader van onder meer Albertine Jeanne Josèphe Françoise.

In 1685 meldde de tienjarige Albertine zich bij stift Munsterbilzen, een klooster voor adellijke dames in Belgisch-Limburg. Albertine maakte in 1690 een testament, maar meer is niet bekend van haar vroege jaren. Op 20 april 1720 maakte ze een nieuw testament en een jaar later werd zij door het kapittel tot decanes gekozen, de belangrijkste functie binnen het stift na die van abdis. Ze reserveerde in 1724 geld voor de inkomens van voorzanger, organist, schoolmeester en koren en voor een meisjesschool. Ook de kerk van de karmelieten in Munsterbilzen kon rekenen op steun van Albertine. In 1743 en 1744 schonk zij de kerk een flink geldbedrag, onder meer voor een nieuwe preekstoel en kandelaars.

Stift Munsterbilzen

Een van de nog overgebleven gebouwen van het vrouwenstift in Munsterbilzen waar Albertine de Dongelberghe als meisje opgroeide. (Foto: Eebie, 2018, Wikimedia Commons)

Erfenisperikelen

De eerste zestig jaar van het leven van Albertine gingen voorbij in relatieve rust. Vanaf 1741 veranderde dit aanzienlijk. Op 11 juli van dat jaar overleed Charles van Immerseel (1674-1741), graaf van Bokhoven en heer van Venloon (Loon op Zand). Charles was in 1696 zijn broer Ferdinand Albert Hyacinth van Immerseel (1671-1696) opgevolgd. Zijn hele leven stond hij onder curatele, omdat hij "onnosel" was. Toen hij overleed had hij geen erfgenamen en geen testament. Er ontstond strijd om zijn erfenis tussen twee kampen: aan de ene kant waren dat drie achternichten van Charles, te weten (Maria) Christina van Salm (1655-1745) en twee dames De Bryas, terwijl zijn volle nicht Albertine de Dongelberghe aan de andere kant stond.

Albertine verliet onmiddellijk Munsterbilzen en vertrok naar Loon op Zand om daar haar intrek te nemen in het kasteel. Zo nam zij formeel de heerlijkheid ‘in bezit’, een stap in het juridische proces van erfopvolging. Na enige discussie met de andere erfgenamen betaalde Albertine 10.000 gulden aan successierechten. Daarna vroeg zij het Leenhof van Brabant haar te bevestigen als nieuwe eigenaar van de heerlijkheid. Aldus geschiedde op 4 januari 1742. Voor Albertine en voor de heerlijkheid Loon op Zand was nu duidelijk wie ‘de nieuwe baas was’.

De Van Salm-partij zinde op vervolgstappen. Op 9 november 1742 probeerden deze dames opnieuw de erfenis naar zich toe trekken en vroegen aan de Raad van Brabant – in die tijd het hoogste rechtscollege – om beslag te leggen op alle goederen van Albertine. Ze kregen zelfs hulp van het Loonse dorpsbestuur. De schepenen verklaarden dat de prins De Gavre d’Aiseau (1694-1772) al op 29 juli 1741 in herberg "de Tourkar" aan de Kerkstraat te Loon op Zand in naam van zijn moeder, een van de gezusters De Bryas, verklaarde de heerlijkheid voor haar (en haar mede-erfgenamen) in bezit te hebben genomen.

Albertine voelde nu nattigheid en zocht eerst naar een schikking, die ertoe moest leiden dat zij Loon op Zand behield en dat de overige onroerende goederen verdeeld werden tussen beide partijen. Die kwam er niet en dus werd het een rechtszaak. Op 21 december 1744 deed de Raad van Brabant uitspraak: Albertine werd in het gelijk gesteld en kreeg alle goederen. Alle verweren van de Van Salm-partij werden afgewezen. Er kwam even rust in Loon op Zand.

Ets_Kasteel_Loon_op_Zand.jpg

Kasteel Loon op Zand voor de verbouwing (Ets: Hendrik Causé, 1730, Bibliotheek UvT, Brabant-Collectie)

Overlijden

Om zichzelf een sterkere positie te geven, ging Albertine al in september 1743 een strategische alliantie aan met haar zeer machtige neef, Anne Auguste de Montmorency (1679-1745), prins van Robecq. Ze voegden al hun titels en goederen samen tot één groot geheel, dat na hun dood verdeeld zou worden over de drie kinderen De Montmorency. De oudste zoon zou dan onder andere Bokhoven en Loon op Zand erven.

Tussen 1741 en 1747 functioneerde Albertine als vrouwe van Loon op Zand en benoemde in die jaren de schepenen. Regelmatig kreeg ze te maken met het probleem dat de schepenfunctie slechts vervuld mocht worden door personen van de "ware religie", namelijk personen van protestantse afkomst. In het dorp Loon op Zand woonden echter maar weinig protestanten en de protestanten die in het noordelijke deel van Kaatsheuvel woonden, konden niet steeds naar Loon op Zand reizen als de schepenbank bijeengeroepen werd.

Vooral ten tijde van oorlog – zoals in 1747 het geval was met de Fransen – was het noodzakelijk om permanent een beroep te kunnen doen op schepenen. Om aan dit tekort van protestantse schepenen een einde te maken, richtte Albertine een verzoekschrift aan de Staten-Generaal. Hierin verzocht zij om twee of drie personen van rooms-katholieke huize te mogen benoemen als schepen. De Staten-Generaal wees het verzoek af.

Het opstellen van dit verzoekschrift was één van haar laatste daden. Op 2 april 1747 kwam er een einde aan het leven van Albertine de Dongelberghe, markiezin van Rèves en vrouwe van Loon op Zand. Vier dagen later – op 6 april – werd zij met alle eer en luister begraven in de kerk van Loon op Zand.

 

De nalatenschap van Albertine

Het bericht van het overlijden van Albertine bereikte al snel het klooster in Munsterbilzen. Ook daar zorgde dit nieuws voor de nodige commotie. Er was onduidelijkheid over het al dan niet bestaan van een (geldig) testament en dus ontstond er een geschil over de spullen die Albertine in het klooster had achtergelaten. Uiteindelijk wees de aartsbisschop van Keulen de abdis van Munsterbilzen aan als erfgename.

De inboedel van het kasteel in Loon op Zand werd namens de erfgenamen op vier dagen in mei 1748 geveild. De veiling bracht in totaal een bedrag van ruim 3700 gulden op. Weliswaar was zo de nalatenschap van de roerende goederen afgehandeld, maar wie mocht zich nu heer of vrouwe van Loon op Zand gaan noemen? De strijd om de heerlijkheid laaide weer op. Dit keer tussen Anne Louis Alexandre de Montmorency (1724-1812), prins van Robecq, en Louis Charles Otthon (1721-1778), prins van Salm-Salm.

Louis Charles Otthon

Louis Charles Otthon, prins en later vorst van Salm-Salm. (Bron: Bernardo Nocchi, 1775, collectie Vorst Van Salm-Salm, Anholt)

De rechtsgang duurde maar liefst vijf jaar. In juli 1751 kwam de Raad van Brabant nog wel met een vonnis, maar hiertegen protesteerde De Montmorency. Keizerin Maria Theresia van Oostenrijk, die over de Zuidelijke Nederlanden regeerde, gaf in juni 1752 opdracht aan het hof om de zaak opnieuw in behandeling te nemen. Weer gingen er maanden voorbij.

In februari 1753 was de situatie dusdanig dat beide partijen snakten naar een oplossing. Er volgden onderhandelingen en op 8 februari kwam een schikking tot stand. De Montmorency kreeg het graafschap van Bokhoven en de heerlijkheid van Asdonk, plus een bedrag van 55.000 gulden. De Van Salm-partij kreeg de heerlijkheid Loon op Zand, de heerlijkheid van Haveluy, de heerlijkheden van Immerseel en Wommelgem en het laathof van Boom, het burggraafschap van Aalst en de heerlijkheid van Eeckhout.

Bij een nadere verdeling kreeg Louis Charles Otthon van Salm-Salm de heerlijkheid van Loon op Zand, het burggraafschap van Aalst, de heerlijkheid van Haveluy en die van Eeckhout. Daarmee was eindelijk, na meer dan twaalf jaar strijd, de erfenis van Charles van Immerseel definitief verdeeld onder zijn erfgenamen. In 1757 was de nalatenschap ook in financieel opzicht afgewerkt.

 

Bronnen

Eycken, J. van der en Eycken, M. van der., Wachten op de prins: negen eeuwen adellijk damesstift Munsterbilzen, Alden Biesen, 2001.

Gelevert, E., "De rentmeesters Verheyen van Loon op Zand", in: Straet & Vaert (2002).

Gelevert, E., "Een generatie Verheyens: Jhr Mr J.B.A.J.M. Verheyen en zijn broers en zusters", in: Straet & Vaert (2003).

Toorians, L., "Hoe Paulus van Haastrecht in Loon op Zand kwam: de koop van Loon en wat vooraf ging", in: Straet & Vaert (2001).

Boeren, J., "Albertine de Dongelberghe, vrouwe van de heerlijkheid Loon op Zand", in: Straet & Vaert (2003).

Rijksarchief Hasselt (België), Adellijk damesstift van Munsterbilzen, toegangsnummer BE-A0515/1135.

Fürstlich Salm-Salm’schen Archiv, Anholt (Duitsland).

Regionaal Archief Tilburg, Archief schepenbank Loon op Zand, archiefnummer 781.

Regionaal Archief Tilburg, Archief van het dorpsbestuur Loon op Zand, archiefnummer 1232.

Regionaal Archief Tilburg, Archief van de heerlijkheid Loon op Zand, archiefnummer 982.