De pestepidemie in Helmond in 1636

Pest

De vier apocalyptische ruiters. (Bron: Adriaen Collaert, 1585, Rijksmuseum Amsterdam)

In 1636 werd Helmond voor de laatste keer getroffen door een epidemische aanval van de pest. Na de eerste golf van ziektegevallen was de stad grotendeels verlaten. Dat was niet alleen het gevolg van de vele dodelijke slachtoffers, maar ook van het verplaatsen van alle leden van gezinnen met een pestlijder in hun midden naar hutten op de hei buiten de stadswallen. Daarnaast waren degenen die het zich konden permitteren de stad ontvlucht. Handel was stilgevallen en volgens een tijdgenoot groeide er gras tussen de stenen op de markt. Om de lucht te zuiveren stookte men in de straten vuren van jenever- en beukenhout.

Helmond, vergelijkbaar en bijzonder

De pestepidemie in Helmond van 1636 mag dan wel de laatste geweest zijn, de eerste was het zeker niet. Helmond volgde de trend van de omgeving. Toch is de ontwikkeling in Helmond om meerdere redenen atypisch. Terwijl in de Nederlanden nog tot 1669 epidemische uitbraken te zien zijn, bleef Helmond na het jaar pestjaar 1636 vrij van de ziekte. De pest kwam nog verscheidene malen dichtbij, maar met isolatie wisten de Helmonders haar buiten de stad te houden.

 

Veel gegevens over armlastigen

De Helmondse pestepidemie van 1636 is bijzonder omdat die veel gegevens oplevert over de getroffen armen in de stad. Juist de armen blijven vaak onderbelicht in historische onderzoeken omdat zij nauwelijks geschreven bronnen hebben achtergelaten. In Helmond is het omgekeerde het geval. De gegoeden waren vertrokken, de armen waren gedwongen te blijven en werden door de armeninstelling, genaamde Tafel van de Heilige Geest, verzorgd. De armmeesters hielden in hun rekening nauwkeurig bij waar zij het geld voor de verzorging aan uitgaven: ze betaalden eten en drinken, begroeven doden, verstrekten kleding, betaalde de gasthuismeesteres voor opvang in het gasthuis en schrobbers die de zieken in hun eigen huis verzorgden en de huizen schoonmaakten.

Plattegrond van Helmond, ca. 1540. Het gasthuis ligt bovenaan op de kaart, ten westen van de doorgaande weg. Het bestaat uit twee pandjes die een stuk van de weg af liggen. (RHCe, collectie beeld en geluid 137982)

Plattegrond van Helmond, ca. 1540. Het gasthuis ligt bovenaan op de kaart, ten westen van de doorgaande weg. Het bestaat uit twee pandjes die een stuk van de weg af liggen. (Bron: Van Deventer, RHCe, collectie beeld en geluid 137982)

De armenrekeningen leveren ook het tweede bijzondere punt op van de Helmondse situatie. Op basis van de gegevens over doodskisten is het mogelijk de leeftijd van aan pest overleden kinderen te bepalen. Het zijn gegevens uit de laatste fase van de epidemie die in maart uitbrak in de wijk bij het kasteel. Bij de armenrekening die loopt vanaf eind juli 1636 zitten declaraties die zijn ingediend door Dirk Janssen Stelten en Simon Janssen de rooie. Zij maakten op verzoek van de armmeesters 246 doodskisten voor aan pest overleden armen. Dirck Stelten overleed zelf in december 1636. De kisten moeten derhalve gemaakt zijn in de maanden augustus tot en met november.

De prijzen van de kisten variëren afhankelijk van de grootte. Dat maakt het mogelijk om de leeftijden van de overledenen bij benadering te bepalen. Kisten voor volgroeiden kosten f 2,25, met soms een stuiver extra voor een extra groot persoon. Het goedkoopste kistje kostte f 0,60. De prijs gaat met een stuiver per half jaar omhoog. Een veertienjarige werd nog gezien als een onvolgroeide met een prijs van f 2,00 voor de kist. Daarna gaat de prijs in een keer naar f 2,25.

TabelpestHelmond

De geschatte leeftijden van overleden Helmondse armlastigen op basis van de prijs van hun doodskisten. (Bron: Lia van Zalinge)

In de eerste plaats valt op dat kinderen zwaarder werden getroffen dan volgroeiden. Tegenover 102 personen ouder dan vijftien jaar, staan 144 kinderen. In de tweede plaats lijkt het sterftecijfer het hoogst te zijn onder de drie- tot zevenjarigen. Uiteraard geven deze cijfers, zonder verder vergelijkingsmateriaal, slechts een indicatie. Zo kan bijvoorbeeld niet vastgesteld worden of in de eerste fase van de pest veel slachtoffers zijn gevallen onder baby’s of dat juist zwangere vrouwen bijzonder kwetsbaar waren en stierven met hun ongeboren baby’s. Dat zou kunnen verklaren waarom er in de tweede fase van de pest minder babys’s onder de overledenen worden aangetroffen. Het geringe aantal overleden kinderen vanaf dertien jaar wijst op verblijf in het gezin van hun werkgever. Mogelijk verlieten zij de stad tijdelijk met hun werkgever. Hoewel deze cijfers met een grote mate van voorbehoud moeten worden bekeken, blijven ze bijzonder.

 

Recept tegen de pest

In veel archieven zijn recepten te vinden die een beproefde remedie zouden zijn tegen de pest. Een voorbeeld is een recept uit Deurne voor een medicijn dat Joost Janssen op zijn vrouw heeft uitgeprobeerd. Een sterk gestel lijkt nodig om dit zwaar op de maag liggende medicijn te overleven. De hoofdbestanddelen zijn zwavel gemengd met “bolus armenus”, magnesiumhoudende aarde zoals die voorkomt in Armenië. De raapzaadolie zal wel bedoeld zijn om te laxeren. Het steeds vervangen van hete doeken onder de armen en rondom zijn “schamelheijt”, wat ook in het recept genoemd wordt, wijst op de builenpest. De karbonkels verschenen immers vooral in de liezen bij de schaamdelen en onder de oksels.

Recept tegen de pest (RHCe, archief 13181 Gemeentebestuur Deurne 1379-1810, inv.nr. 1378)

Een recept tegen de pest in het gemeentearchief van Deurne. (Bron: RHCe, archief 13181 Gemeentebestuur Deurne 1379-1810, inv.nr. 1378)

Vroege verdwijning epidemische vorm van pest

Meerdere elementen zorgden ervoor dat de bestrijding van de pest in Helmond succesvol kon zijn. Klimaatverandering maakte dat de rattenvlo, een subtropisch insect, minder goed overleefde in de koudere omstandigheden in de Nederlanden. Deze rattenvlo is de beslissende schakel in de overbrenging van de pest, een knaagdierziekte, naar de mens. Dit gold uiteraard niet alleen voor Helmond, maar voor de hele Nederlanden.

Ets De rattendoder van Jan Georg van Vliet uit 1632. Tijdens een pestepidemie waren veel dieren verdacht. In Helmond mochten loslopende honden dood worden geschoten. De ware schuldige, de zwarte rat, ontsnapt ook niet aan de aandacht. (RHCe, collectie beeld en geluid 117158)

Ets "De rattendoder" van Jan Georg van Vliet uit 1632. Tijdens een pestepidemie waren veel dieren verdacht. In Helmond mochten loslopende honden dood worden geschoten. De ware schuldige, de zwarte rat, ontsnapt ook niet aan de aandacht. (Bron: RHCe, collectie beeld en geluid 117158)

Bij het succes van isolatie speelde ook een rol dat de Tachtigjarige Oorlog in een andere fase was aanbeland. De inkwartiering van rondtrekkende troepen soldaten binnen de stedelijke bebouwing bracht vaak pest binnen de stad. Regelmatig werd er melding van gemaakt dat soldaten de ziekte in de stad hadden gebracht. Ook de grote epidemie begon in maart 1636 met de komst van besmette soldaten. Daarna, in de laatste fase van de Tachtigjarige Oorlog, werd van de inwoners van steden en dorpen vaker een bijdrage in geld en goederen geëist en waren er minder inkwartieringen. Ook dit gold niet alleen voor Helmond.

Deze twee elementen hielpen, maar het was vooral het derde element, de achteruitgang van de nijverheid, gevolgd door die van handel, dat de doorslag gaf. De productie van laken was in Helmond grotendeels verdwenen en regelmatig moesten de borgemeesters in de stadsrekeningen noteren dat zij bepaalde lasten niet konden innen omdat ambachtslieden onder het “deksel” van de nacht de stad hadden verlaten om hun heil te zoeken in Haarlem en Leiden. Het verval van nijverheid en handel leidde ertoe dat Helmond minder werd bezocht door vreemdelingen en Helmonders minder handel buiten de stad dreven. Isolatie werd daardoor effectiever.

Tot en met de pest in het jaar 1636 kon isolatie niet succesvol zijn omdat de vooral preventief gerichte maatregelen de stad niet beschermden tegen de geëiste inkwartieringen, terwijl de stad de nijverheid wilde sparen. Inwoners, voorzien van een geweer, waren verplicht om ’s nachts wacht te lopen om besmette personen buiten de stad te houden. Isolatie van mensen die vanuit de stad naar buiten reisden, had blijkbaar minder prioriteit. De stadsrekeningen vermelden vaak uitgaande reizen tijdens de pest, ondanks de geldende verboden. Helmonders reisden naar Den Bosch en Lier om belastingen te betalen en nadat de pastoor en kapelaan aan de pest waren overleden, gingen de kerkmeesters op zoek naar vervangers. Maar ook binnen de stad waren er veel overtredingen. Armlastige pestlijders kwamen vanuit hun hutten op de hei naar de stad om inkopen te doen bij leveranciers aan huis. Brouwer Willem van den Kerckhoff raakte hierdoor besmet en overleed.

Na 1636 werden de regels en de straffen nog strenger. In 1666 had Peter van Hoorn buiten de stad een huis bezocht waarin iemand was overleden die verdacht werd van pest. Na zijn thuiskomst overleed zijn dochtertje. Waaraan was niet bekend, maar toch werd hard opgetreden. Peter moest binnen zijn huis een periode van zes weken van strenge isolatie aanhouden en daarna werd hij voor twee jaar verbannen uit de stad.

Een sleutelrol in de verpleging van pestzieken speelde gasthuismeesteres Cathalijn Craelen. In haar gasthuis verzorgde ze zieken die onverpleegd achterbleven. Dat waren vooral kinderen waarvan de ouders aan pest leden of al aan de pest waren overleden.

Houtsnede uit de vijftiende eeuw van een chirurgijn die een geval van builen- of bubonenpest behandelt door een gezwel open te snijden. (RHCe, collectie beeld en geluid 117154)

Houtsnede uit de vijftiende eeuw van een chirurgijn die een geval van builen- of bubonenpest behandelt door een gezwel open te snijden. (Bron: vervaardiger onbekend, RHCe, collectie beeld en geluid 117154)

Helmond 1636, anders dan elders

De Helmondse pestepidemie van 1636 past in de reeks epidemieën die de Nederlanden hebben gekend. Bepaalde aspecten zijn echter bijzonder te noemen. In de eerste plaats luidde die een periode in waarin de stadsautoriteiten succesvol waren in de bestrijding, waardoor Helmond na dat jaar geen uitbraken meer kende, in tegenstelling tot andere steden en dorpen. In de tweede plaats geven de rekeningen van de armmeesters veel gegevens prijs over het leven en lijden van arme inwoners tijdens een epidemie. Als extra bonus leveren diezelfde armenrekeningen gegevens op over de leeftijden van aan pest overleden personen. Dat maakt de Helmondse situatie anders dan elders.

 

Bronnen

Bontje, M., Pestbestrijding in de Lage Landen. Een onderzoek naar pestordonnanties uit Hoorn en Diest tussen 1489 en 1599, 2015 (BA-scriptie).

Klinkenberg, J., "Dye quade siecte. De pest in Maastricht in de zestiende en zeventiende eeuw", Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, (jrg. 16, 1990), 267-286.

Noordegraaf, L. en G. Valk, De gave Gods. De pest in Holland vanaf de late middeleeuwen, Bergen, 1988.

Rommes, R., "Pest in perspectief. Aspecten van een gevreesde ziekte in de vroegmoderne tijd", Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis (jrg. 16, 1990), 244-266.

Van Zalinge-Spooren, C., "Die contagieuse sieckte der pest is grasserende...: de pest in Helmond in 1636", De Vlasbloem (jrg. 14, 1994).