Seizoenarbeid in de hooipolders van de westelijke Langstraat

Weiland met hooioppers. Op de achtergrond het silhouet van Waalwijk met de St.-Janskerk. (Foto: fotograaf onbekend, ca 1940, collectie Streekarchief Langstraat Heusden Altena)

Weiland met hooioppers. Op de achtergrond het silhouet van Waalwijk met de St.-Janskerk. (Foto: fotograaf onbekend, ca 1940, collectie Streekarchief Langstraat Heusden Altena)

Al in de zeventiende eeuw was de hooiwinning in de Langstraatse buitenpolders, het gebied ten noorden van de Winterdijk tussen Waalwijk en Geertruidenberg, de voornaamste bron van inkomsten en had daarmee de turfwinning verdrongen. Pas in de eerste decennia van de twintigste eeuw verdween geleidelijk de hooiwinning en -handel als pijler onder de economie in dit deel van het noordelijke randgebied van Brabant. Ook elders in Nederland werd veel hooi geproduceerd en overal was er een groot tekort aan maaiers in de tijd van de hooioogst. Dit leidde tot een seizoentrek uit binnen- en buitenland. Het totaal aantal trekarbeiders in de Nederlandse hooiwinning wordt in het jaar 1811 geschat op minstens 12.000, waarvan zo’n 1500 in de westelijke Langstraat.

Het ruimtelijk systeem waarbinnen de hooiwinning functioneerde

Op de Brabantse zandgronden heerste eeuwenlang het gemengde bedrijf, waarin koeien voor de mest op de akkers en de paarden voor de trekkracht zorgden. Een knelpunt in deze bedrijfsvorm vormde het tekort aan wintervoer. Dat probleem werd opgelost door het hooi uit de onder andere de Langstraatse buitenpolders, vooral die van Baardwijk, Waalwijk en Besoijen.

De tweede pijler onder de Langstraatse hooi-economie werd gevormd door de grootschalige hooileveranties aan binnen- en buitenlandse afnemers (transportbedrijven, paardenfokkerijen, legers, en dergelijke). Hier waren het met name de Capelse en Waspikse buitenpolders die zich met hun hooiperserijen en havens speciaal richtten op deze nationale en internationale markten.

fysischegeografieThuisinBrabant

De belangrijkste grondsoorten in Brabant. (Bron: Thuis in Brabant)

Maaiers in de westelijke Langstraat: de herkomstgebieden

De armoede onder de “heiboeren” op Brabantse zandgronden, het gebrek aan alternatieve werkgelegenheid daar en het grote aanbod aan jonge arbeidskrachten uit de grote gezinnen zorgden ervoor dat de vraag naar maaiers in de oogsttijd in de Langstraatse hooipolders (en andere hooigebieden in het noorden van onze provincie) kon worden opgelost door het aantrekken van seizoenarbeiders uit die arme zandgebieden. “’t Was vroeger armoe troef in het boerenbedrijf en daarom pakte ge van alles aan. We verhuurden ons als maaier in de hooitijd.” (Strol Zaand, 1988)

Redelijk nauwkeurig lijken de schattingen die Jan Lucassen maakt over de aantallen en herkomstgebieden van de hooimaaiers in het begin van de negentiende eeuw. Het overgrote deel kwam uit Midden-Brabant, de Meierij en een deel van de Kempen. Een deel van de Langstraatse hooiers trok na de oogst door naar Zuid-Holland waar het maaien meestal iets later begon: ze werden “de Brabers” genoemd. Overigens gingen uit veel delen van zand-Brabant ook seizoenmaaiers naar de Noordwest-Brabantse en Zuid-Hollandse hooigebieden (onder andere de Biesbosch). Is het toeval dat in 2007 van de 309 families in Nederland met de naam Hooijmaaijers (en daarmee verwante namen) er 209 woonden in de gemeenten Oosterhout, Geertruidenberg, Waalwijk, Dongen, Loon op Zand, Tilburg en Eindhoven en een groot deel van de rest in de overige zandgemeenten in Brabant?

Het aantal van elders afkomstige maaiers was nog veel hoger dan het al genoemde getal van 1500. Er waren namelijk ook flink wat heiboeren die ten zuiden van de Langstraat woonden en in de buitenpolders daar hooipercelen in eigendom of pacht bezaten. Zo hadden bijvoorbeeld in 1832 98 boeren uit de gemeenten Loon op Zand, Udenhout, Tilburg en Berkel-Enschot 30% van alle percelen in de Waalwijkse buitenpolder in bezit. En ook deze boeren waren in de hooitijd in de Langstraat actief als maaier.

Hooikar met paard in de Langstraat. Voor de hooiwagen Drik Mulders en Piet Mulders. Op de wagen Gerard van Hulten en Jan van Bavel. (Foto: fotograaf onbekend, juni 1932, collectie Streekarchief Langstraat Heusden Altena)

Hooikar met paard in de Langstraat. Voor de hooiwagen Drik Mulders en Piet Mulders. Op de wagen Gerard van Hulten en Jan van Bavel. (Foto: fotograaf onbekend, juni 1932, collectie Streekarchief Langstraat Heusden Altena)

Leef- en werkomstandigheden van de seizoenmaaiers

Hoewel er niet veel bekend is over de manier waarop de seizoenarbeiders gerekruteerd werden, mag uit gegevens uit andere delen van ons land worden aangenomen dat nogal wat hooiers elk jaar voor dezelfde perceeleigenaren werkten. Ook kwamen in de weken vóór de oogsttijd veel maaiers in de Langstraat bij boeren langs of zochten op marktdagen onder andere in de horecagelegenheden contact met de aanbieders van het seizoenswerk.

De maaiers die dicht bij de hooilanden woonden kwamen met hun zeisen op de fiets of met paard en kar om ’s avonds weer naar huis te gaan. De meeste anderen moesten echter een andere verblijf- en/of slaapplaats weten te vinden. Dat was vooral bij de boeren in de Langstraatdorpen voor wie ze werkten en die voor eet- en slaapgelegenheid zorgden. Ook werd er geslapen in het hooi, een slaapplek die ook bekend was bij heel wat boerendochters. Er zijn enkele gedwongen huwelijken uit deze openluchtactiviteiten voortgekomen. Tenslotte boden ook zelfgebouwde veldhutten (vooral in de Capelse en Waspikse polders) en soms ook de twee veldtenten in de Waalwijkse en Besoijense buitenpolders onderdak.

Die veldtenten waren demontabele houten cafés die in het voorjaar werden opgebouwd en in het najaar afgebroken (in de winter waren de buitenpolders dikwijls overstroomd als de Baardwijkse Overlaat werkte). Ze stonden langs de wegen die door de buitenpolders naar het gebied ten noorden van de Oude Maas liepen. De klandizie bestond uit maaiers, boeren en langskomende kooplui en recreërende wandelaars uit het Waalwijkse.

Een goede maaier kon per dag ongeveer een halve hectare maaien, maar zo’n dag duurde dan wel van ’s morgens vroeg tot ’s avonds zeker zeven uur en vaak tot zonsondergang. Zondag was voor de maaiers een vrije dag, waar behalve de kerk ook de horecagelegenheden, waaronder de veldtenten, druk bezocht werden. Dronkenschap was een erkend probleem onder de seizoenarbeiders in de Nederlandse hooigebieden.

Kortom, de leefomstandigheden waren niet bepaald ideaal: lange zware werkdagen, allesbehalve comfortabele eet- en slaapgelegenheid en in de vrije tijd nauwelijks ander vertier dan cafébezoek.

Boeren en boerinnen in het hooiveld

Een kaart van het 'Noord-Brabantsch Dorpsleven' met boeren en boerinnen in het hooiveld. De kaart is uitgegeven door Uitg. Gez. van Roosmalen, te Veghel. De foto is gesigneerd door fotograaf Frans Stender. (Bron: BHIC)

Alle rechten voorbehouden

Het einde van een tijdperk

Eind negentiende- en begin twintigste eeuw raakte de hooiwinning in de Langstraat op zijn retour. Door de komst van kunstmest en de daarmee mogelijk geworden heideontginningen kregen de heiboeren in het zandgebied zelf veel meer grasland tot hun beschikking en gingen ze steeds meer voedergewassen produceren. De vraag naar Langstraats hooi nam hierdoor af. Dat gebeurde ook door de motorisering van het transport en de introductie van de tractor waardoor er steeds minder paarden nodig waren.

De aanleg van de Bergsche Maas, het Drongelens Kanaal en aanverwante werken leidden tot een afname van de overstromingen in de buitenpolders en tot de gretig benutte mogelijkheden om hooiland om te zetten in veel meer opbrengend bouwland. Daarbij kwam dat door de industrialisatie op de zandgronden en de landouwmoderniseringen ook de werkgelegenheid sterk groeide, waardoor de behoefte om elders slechter betaald seizoenswerk te zoeken geleidelijk verdween. Door dit wegvallen van vraag naar en aanbod van seizoenarbeiders had men in de Langstraatse buitenpolders geen seizoensmaaiers meer nodig. Al voor 1930 was deze jaarlijkse seizoensmigratie dan ook praktisch verdwenen.

 

Bronnen

Passier, F., De Hooibouw in de Beneden-Langstraatse Buitenpolders, Bloei en verval, 1800-1940, Sprang-Capelle, 2014.

Lucassen, J., Naar de kusten van de Noordzee, trekarbeid in Europees perspectief: 1600-1900, Gouda,1984.

Koolen, S. e.a., Venster op Waalwijk, een historische canon in dertig verhalen, Waalwijk, 2010.

Strol Zaand: periodiek van de Heemkundekring "De Ketsheuvel" (1988, nr. 4).