Een noodmunt uit Breda 1577

Een deal met de Duitsers

Noodmunt 1577

Zilveren noodmunt van Breda uit september 1577. (Bron: Stedelijk Museum Breda)

Alle rechten voorbehouden

In september 1577 was er nood aan de man in Breda. Duitse huurlingen hadden de stad in hun macht. Om verdere onrust te voorkomen werden er noodmunten geslagen om de Duitse soldaten te kunnen betalen.

Spaans gezag in Breda

Op 24 januari 1568 werd prins Willem van Oranje door de hertog van Alva gedagvaard. De prins zou worden verbannen en de aankondiging werd op het portaal van de Grote Kerk in Breda aangeplakt. De Spaanse koning Filips II nam het bestuur van de stad over en de prins maakte zich uit de voeten. De meeste burgerij in Breda bleef de prins van Oranje trouw en dat zorgde voor een openlijke anti-Spaanse gezindheid in de stad. De Spanjaarden moesten dus op hun hoede blijven en beschermde zichzelf met behulp van soldaten. Eind juni 1575 werden de troepen in Breda vervangen door een Duits regiment dat onder commando stond van kolonel Georg von Frundsberg. Deze Duitse huurlingen hadden een slechte naam die al snel werd waargemaakt. Als de soldaten hun geld niet tijdig kregen begonnen de plunderingen en moest de burgerij het ontgelden. Het duurde niet lang voor de soldaten de stad volkomen in hun macht hadden.

 

Dwarsliggers

In 1576 werd een staatsgreep gepleegd in Brussel dat resulteerde in de Pacificatie van Gent. In dit verdrag dat werd getekend in november van dat jaar werd bepaald dat de Spaanse troepen het land uit verdreven zouden worden en dat onroerende goederen werden teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaren. De zittende gouverneur moest het kasteel van Breda aan de prins van Oranje teruggeven, maar de Duitse vendels in de stad bleven dwarsliggen. De soldaten maakten geen enkele aanstalten om de stad te verlaten. Ze eisten soldij, en ook toen het leger van de Staten-Generaal in augustus Breda wist in te sluiten gaf het Duitse garnizoen aan pas te vertrekken na betaling van hun soldij.

 

Uitkopen

De stadsregering deed zijn uiterste best om van de soldaten af te komen. Even leek het erop dat het Duitse garnizoen akkoord ging met een bedrag van tweehonderd gulden en na betaling weg zou trekken uit de stad, maar precies op dat moment kwam de Duitse commandant de stad binnen met nog meer Duitse huurlingen. De soldaten waren vanaf dat moment met 4000 man aanwezig in Breda. De kolonel van het Duitse garnizoen eigende zich ook nog eens het gouverneurschap toe en vestigde zich op het Kasteel van Breda. De stadsregering zag zich genoodzaakt om de soldaten te betalen en eisten zilver, goud en geld op van de burgerij, gilden en kerken om daarmee noodmunten te slaan.

Vele inwoners moesten hun zilveren voorwerpen daarvoor inleveren. Kanunnik Geerrardt Vleeming leverde bijvoorbeeld “een silveren croes en een copkin” en schepen Thomas van den Wege “6 silveren gebotte croesen, twee schaelen ende III lepelen, een vergulden ketene en een silvere ketene met beslach van rieme”. Al deze voorwerpen werden omgesmolten voor de vervaardiging van noodmunten.

 

Geheime muntslag

Breda had geen eigen muntslag dus er werd een beroep gedaan op de zilversmeden in de stad. Peter Loonen en Joessen de Laet sneden de muntstempels die nodig waren voor het slaan van de munten. Daarmee werden eenvoudige vierkante zilveren platen geslagen die dienstdeden als noodmunten. Er werd begonnen met het slaan van de munten in het stadhuis van Breda, maar door het hoge risico dat ze ontdekt zouden worden verplaatsten ze zich op 20 september naar het huis van drossaard Jan van Berchem. Daar kon het slaan van de munten niet zomaar gehoord worden. Op die plek gingen de zilversmeden Elias Marcus en Jan Corneliszoon samen verder met het slaan van de noodmunten om van de Duitse soldaten af te komen. 

 

Noodmunten Breda 1577, Stedelijk Museum Breda

Verschillende van de noodmunten die in 1577 in Breda zijn geslagen. (Bron: Stedelijk Museum Breda)

Numismatiek

Op 23 augustus werden in Breda de eerste zilveren noodmunten geslagen met een waarde van één en twee gulden. In het midden werd het stadswapen aangebracht met het omschrift ‘IN DER NOOD B A 1577’. In september werden nogmaals zilveren platen geslagen van één en twee gulden. Dit keer met maar de helft van het gewicht van de vorige emissie, want er was inmiddels een groot tekort aan zilver in de stad. In het midden van de noodmunten die in september werden geslagen werd de naam BRE/DAE aangebracht met daaromheen het omschrift ‘IN NECESSITATE 1577’. Alle munten werden voorzien van zogenaamde ‘kloppen’. Dat zijn controletekens om de echtheid van de munten te kunnen bepalen. Op de noodmunt uit 1577 die zich bevindt in de collectie van Stedelijk Museum Breda staat bijvoorbeeld een hoorn, toren en een lelie die mogelijk verwijzen naar de zilversmeden die de plaat hebben geslagen. In de onderste hoek staan twee X’en die een waarde van 20 stuivers, oftewel 1 gulden aangeven.

 

Een deal met de Duitsers

Uiteindelijk werd op 2 oktober een overeenkomst gesloten met de Duitse soldaten. Na betaling van tien dagen soldij verlieten de Duitsers op 4 oktober 1577 de stad. Toen na de Spanjaarden ook de Duitse huurlingen eindelijk de stad hadden verlaten kon prins Willem van Oranje na tien jaar weer even terugkeren in Breda – de stad die hij zag als zijn thuis.

 

 

Bronnen

Beermann, V., e.a., Geschiedenis van Breda, Deel II, Schiedam 1977.

Van Gelder, H., De Nederlandse noodmunten van de tachtigjarige oorlog, Den Haag 1955.

Van Rijen, J., Zilver en zilversmeden uit de Baronie van Breda, Schiedam 2000.