Thema

Brabantse landschappen

De vroegste geschiedenis van Brabant gaat verloren in de mist van de oudste geologische gebeurtenissen. Door het zeer langzaam opduwen van gebergten zoals de Ardennen en de Eifel ontstonden spanningen die in de flauw hellende aardkorst scheuren en verbrokkelingen veroorzaakten.

De bekendste breuk is De Peelrandbreuk ten oosten van de lijn Asten-Deurne-Milheeze-Erp. Toen dit landschap zich vormde lag het gebied van het huidige Brabant nog onder zeeniveau. Ongeveer twee miljoen jaar geleden, in het laat-Tiglien werd dit gebied bedekt met slib van de rivier de Rijn. Over dit oerlandschap modelleerden de laatste ijstijd en de daaropvolgende periode het Brabantse landschap zoals wij dat nu nog kennen.

Peelrandbreuk Uden

De Peelrandbreuk bij Uden. (Foto: Tij Kools Archief, 2009, WIkimedia Commons)

Door zijn lange ontstaansgeschiedenis, door de daarin opgetreden hoogteverschillen en door de aanwezigheid van talrijke beekjes die hun weg zoeken naar de grote rivieren zijn er allerlei verschillende landschapstypen ontstaan. Deze typen bepaalden in belangrijke mate de latere geschiedenis. Dat komt omdat niet alle bodemsoorten zich leenden voor bepaalde vormen van agrarisch gebruik, terwijl de bereikbaarheid van water van groot belang was voor het al dan niet vestigen van nederzettingen.

Zand en heide

Zo'n 238.000 tot 126.000 jaar geleden blies de wind zand weg uit de rivierbeddingen dat daardoor vooral in het toendralandschap van het huidige Noord-Brabant terecht kwam. Hierdoor kreeg het landschap reliëf, wat resulteerde in zandruggen die van noordoostelijke in zuidwestelijke richting lopen. Doordat in het noorden van de provincie rivier- en zeeklei werd afgezet bleef het zand beperkt tot ongeveer driekwart van het totale oppervlakte.

De zand- en leemlaag die Brabant had bedekt, werd op zijn beurt weer bedekt door een nieuwe laag zand. De daardoor opgetreden hoogteverschillen in het landschap zijn nog goed te zien in de Kempen waar beekdalen en hogere zandruggen elkaar afwisselen. Op deze zandgrond ontstond een oerbos.

Toen de mens zich in Brabant vestigde, werden delen van het oerbos op de zandgronden gekapt om op de vrijgekomen plekken akkers aan te leggen. Dit zorgde voor het ontstaan van heidegronden, schrale bodem waarop zonder bemesting weinig kan groeien. 

Aan het einde van de Middeleeuwen werd het heidelandschap door vele schapen kaalgevreten. Door het verdwijnen van de begroeiing verstoof het zand, wat soms zelfs ten koste ging van de akkers die overstoven werden. Het proces van verstuiving werd aan het einde van de negentiende eeuw gestopt door de aanplant van dennen. Een nog uit de ijstijd daterende zandverstuiving is die van De Brabantse Wal bij Bergen op Zoom.

Brabantse Wal bij Woensdrecht

De Brabantse Wal Hildernisse bij Bergen op Zoom. (Foto: Bas van Oorschot, 2007, Wikimedia Commons)

Bossen en populierlandschappen

De Brabantse oerbossen die na afloop van de ijstijd grote delen van de provincie bedekten zijn allemaal verdwenen. De huidige bossen werden aangelegd door de mens. Het naaldbos Het Mastbos bij Breda is daar een voorbeeld van.  

Het Mastbos Breda

Het Mastbos bij Breda. (Foto: G. Lanting, 2015, Wikimedia Commons)

Het populierenlandschap vinden we vooral in en rond de plaatsen Veghel, Sint-Oedenrode, Schijndel, Boxtel en Udenhout. Het ontstaan ervan hangt samen met het voorpootrecht dat vanaf het einde van de vijftiende eeuw kon worden verleend. De populier is altijd zeer gewild geweest. Hij leverde het hout voor de vele klompenmakerijen. De lange rijen van rechte stammen met hun typische ruisende bladeren zijn een wezenlijk onderdeel gebleven van het Brabantse landschap, ook na het verdwijnen van de klompenindustrie.

Populierenlandschap

Populieren in het Brabantse landschap. (Foto: Marc Bolsius, Erfgoed Brabant)

Alle rechten voorbehouden

Rivieren, beekdalen en vennen

De grote rivieren in het noorden en oosten van de provincie maken deel uit van het stroomgebied van de Maas. In een zeer ver verleden stroomde die rivier door de huidige Kempen en ook de Rijn zocht ooit zijn weg door het huidige Brabant.

Rivieren verplaatsen zich nog steeds, zij het minder dramatisch. Rivierduinen en oeverwallen zijn onderdeel van dat proces. Rivierduinen liggen wat verder van de rivier af en bestaan uit materiaal dat uit de riviervlakte is opgewaaid. De Brabantse Wal is een voorbeeld van een rivierduin uit het einde van de laatste ijstijd (Weichsel-ijstijd). Oeverwallen zijn samengesteld uit zwaarder en grover materiaal dat door de rivier zelf wordt afgezet. Dit gebeurt vooral in buitenbochten van meanderende rivieren.

Zicht op de Dommel

Rivier de Dommel. (Foto: Bert van As, 2008, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

De hogere zandruggen die tijdens en na de laatste ijstijd waren ontstaan, vormden de begrenzingen van de lager gelegen stroomgebieden. Deze drassige gronden waren begroeid met dichte elzenbossen. Uit vele kleine stroompjes ontstonden grotere beken. Door traag stromend water in deze beken werden zand en andere materialen afgezet in de binnenbochten. Ditzelfde materiaal sleet tevens de buitenbochten uit. Daardoor ontstond een steeds meer kronkelend verloop van de Brabantse beken.

Vennen zijn natuurlijke depressies in het landschap waar water in blijft staan. Er zijn verschillende oorzaken voor hun ontstaan, zoals door toevallige reliëfvorming in het landschap in combinatie met de aanwezigheid van leemlagen of doordat wind langdurig zand opblaast totdat een vaste of natte laag wordt bereikt.

Vennen kunnen ook ontstaan doordat grondwater omhoog komt en onder het oppervlakte van de toendra bevriest. Dit was tijdens de ijstijd het geval. De vennen die toen ontstonden, staan bekend als pingoruïne. Daarbij wordt een pingo (heuvel) gevormd door de omhoog en in zijwaartse richting geduwde zandlaag. Deze pingo’s klapte door het smelten van het ijs ineen waardoor er een kuil met opstaande randen ontstond. In een aantal gevallen ontstond er een ringven in het midden van de kuil door het omhoog geduwde zand.

Moerassen en veengronden

Opgewaaide stuifzanden verlegden niet alleen de loop van de beken, maar belemmerde ook de afwatering van het achterliggende land. Zeker wanneer er ook nog sprake was van een weinig water doorlatende, leemhoudende bodem. Op enkele plaatsen ten zuiden van de zandruggen leidde dit tot een vernatting en vervening van het landschap. Zo ontstonden moerasgebieden als De Brand, Het Helvoirts Broek, Het Bossche Broek en de natte Vughtse heide.

Het Bossche Broek (foto: Marc Bolsius)

Het Bossche Broek. (Foto: Marc Bolsius, Erfgoed Brabant)

Alle rechten voorbehouden

In de moerassen en rivierdalen kon veen ontstaan. In een groot deel van het westen van de provincie ontstond hoogveen of laagveen. Al in de Romeinse tijd was het ontginnen hiervan begonnen.

Menselijke invloeden

Toen men kunstmest ging gebruiken, was het mogelijk om heidegronden op grote schaal te ontginnen. De ontgonnen gebieden kregen een geheel nieuwe ruimtelijke structuur, gekenmerkt door lange rechte wegen, meestal haaks op elkaar.

Ook gebieden met beekdalen veranderde door ontginning. Zo werd het drassige en met elzenbossen begroeide broekland door de mensen veranderd in een gras- en hooilandschap. Toch zijn er hier en daar nog wel plaatsen die een indruk geven van hoe het ooit geweest moet zijn, zoals in Dolinge, het laaggelegen land langs de Strijper Aa bij Leende.

Strijper Aa

Strijper Aa. (Foto: Fotocollectie Nederlandse Heidemaatschappij, 1957, Nationaal Archief)

De ontgonnen beekdalen staan ook wel bekend als beemden. Oorspronkelijk waren dat vooral droge heidegronden. Op de zandgronden die het dichtst aan het beekdal grensden werden akkers aangelegd. Deze akkers waren voor een succesvolle oogst afhankelijk van de jaarlijks aan te voeren mest van de dieren. Oude topografische kaarten laten goed zien hoe dorpen net buiten het beekdal liggen en hoe akkers daaromheen zijn gepositioneerd.

Naast ontginnen begon de mens in de dertiger jaren van de twintigste eeuw ook met het normaliseren of kanaliseren. De bedoeling was daarbij om in het algemeen de regionale waterhuishouding onder controle te krijgen. Ook ruilverkaveling kon een motief zijn voor de normalisering van beken. Door deze ingrepen verdwenen vaak de kronkels en meanders uit de beken, wat grote gevolgen kon hebben voor de waterhuishouding.

Menselijke invloeden zijn overal te vinden. Een voorbeeld van een ven dat door menselijk ingrijpen ontstond is De IJzeren Man in Vught. Dit ven werd gegraven aan het einde van de negentiende eeuw toen men zand nodig had voor het ophogen van de stadsuitleg Het Zand in ‘s-Hertogenbosch. De naam verwijst naar de zware ijzeren graafmachine waarmee het zand werd opgedolven. Tegenwoordig is De IJzeren Man zowel een natuur- als recreatiegebied.  

IJzeren Man Vught

De IJzeren Man in Vught (Foto: mjmulders1989, 2011, Wikimedia Commons)

De ontginning van het hoogveen in het noorden van de provincie begon met de aanleg van een lange verbindingsweg over de oeverwal aan de zuidkant van de Maasloop. Deze verbindingsweg staat bekend als de Langstraat. Iedere bewoner kreeg een slag, een strook grond, toegewezen. Deze slag werd aan weerszijden begrensd door sloten die het gebied ontwaterden. Aan het einde van de slagen lag een lage dijk, ofwel achterkade.

Met iedere nieuwe slag werd de oude nederzetting verlaten en op de achterkade een nieuw huis gebouw. Op deze wijze ontstond het voor Waalwijk en aangrenzende dorpen typische slagenlandschap. Bebouwing strekte zich eveneens uit langs de noord-zuid gelegen turfvaarten. Ter hoogte van een kruising ontstond een kleine kern. Capelle en Waspik zijn hier voorbeelden van.

 

Bronnen

Berendsen, H., De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie, Assen, 2004 (Fysische geografie van Nederland). 

Berendsen, H., Landschap in delen. Overzicht van de geofactoren, Assen, 2005 (Fysische geografie van Nederland).

Berendsen, H., Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio's, Assen, 2005.

Hollenberg, P., en Peters, C., Ontginningen in de Noordbrabantse Peel in de 19de eeuw, Tilburg, 1980. 

Renes, J., West-Brabant: een cultuurhistorisch landschapsonderzoek, Waalre, 1985.

Venhuizen, G., IJstijden, Amsterdam, 2014 (Elementaire deeltjes, 17).

Draag bij aan Brabants erfgoed!

Wil je een verhaal delen? Vul hieronder je gegevens in, en geef kort aan wat je zou willen bijdragen. De redactie neemt dan contact met je op.